Joods leven in Maassluis
1688-1942
Eind 17e eeuw is Maassluis een van de weinige gemeenten in Zuid-Holland waar zich al vroeg joden mogen vestigen. De oudst bekende inwoner van Maassluis is toebackverkoper Levij Jacobs. Hij komt op 27 april 1688 in bezit van een huis gelegen aan de westzijde van de Hoogstraat te Maassluis. Al snel vertrekt Jacobs naar Dordrecht waar hij betrokken is bij de oprichting van een synagoge.
Vanaf 1750 neemt het aantal joden in Maassluis gestaag toe. In 1769 geeft de stedelijke overheid van Maassluis toestemming voor de oprichting van een joodse gemeenschap met een eigen synagoge. In de meeste nabijgelegen dorpen daarentegen, en steden als Schiedam en Delft, zijn joden tot 1786 niet welkom. Maassluis kent juist als gevolg van zijn liberaal vestigingsbeleid rond 1800 al een relatief grote joodse gemeenschap die in omvang tot de jaren negentig van de negentiende eeuw min of meer constant blijft.
Terwijl de joodse gemeenschap in de mediene (mediene duidt op joden in een kleine stad of plattelandsgemeente buiten Amsterdam) in de eerste helft van de negentiende eeuw door de emancipatie en de trek van stad naar platteland groeit, blijft het aantal joden in Maassluis rond de negentig schommelen. Blijkbaar biedt Maassluis in die tijd slechts bestaansmogelijkheden aan een groep van deze omvang en moeten anderen hun heil elders zoeken. Als handelslieden kunnen joden zich niet onbeperkt in een kleine plaats met een gering aantal potentiële klanten vestigen. Zij hebben in Maassluis een synagoge waarin ze hun religieuze plichten kunnen nakomen. Ze beschikken over een eigen onderwijzer, voorzanger, ritueel slachter en koster. Ze oefenen beroepen uit als venter, koopman, handelaar en slager. De joodse gemeenschap kent een eigen verenigingsleven en armenzorg.
Joden hebben in die periode over het algemeen geen sterke binding met een bepaalde streek en zijn vanwege hun economische positie uiterst kwetsbaar. Hun bestaansmogelijkheden in de provincie raken mede door de met de industrialisatie gepaard gaande verbetering van de infrastructuur uitgeput. De rondtrekkende handelsreizigers uit de grote steden kunnen door de uitbreiding van het spoorwegennet een veel groter gebied bestrijken. De plaatselijke joodse kleinhandel kan de concurrentie van deze op veel grotere schaal werkende handelaren niet aan.
De joodse gemeenschap in Maassluis beantwoordt volledig aan het hierboven geschetste algemene beeld. Het aantal joden in Maassluis loopt daardoor tussen 1892 en 1930 terug van 92 tot 8. Hoogstwaarschijnlijk zet de daling na 1891 in omdat in dat jaar een spoorwegverbinding tussen Maassluis en Rotterdam wordt geopend. Vermoedelijk trekken de kleine joodse handelaren uit Maassluis weg omdat hun inkomsten vanwege de toenemende concurrentie geleidelijk teruglopen en de industriële centra economisch gezien betere perspectieven bieden. De joodse bevolking van Rotterdam, Den Haag en Amsterdam groeit juist in het laatste decennia van de negentiende eeuw gestaag. In 1930 hebben de joden op acht na Maassluis verlaten en voor een bestaan in de stad gekozen. Het integratieproces in Maassluis wordt door de Tweede Wereldoorlog abrupt afgebroken. Het echtpaar Coltof en het echtpaar Van Gelderen en hun dochter worden in 1942 gedeporteerd en komen allemaal om in Auschwitz.
Daar de joodse gemeenschap de laatste jaren voor en tijdens de oorlog slechts uit enkele families bestaat, wordt er nauwelijks meer gebruikgemaakt van de synagoge en andere faciliteiten. Er worden ook geen onderhouds-werkzaamheden verricht, wat verval in de hand werkt.
Al tijdens de oorlog in 1943 en 1944 bereidt de gemeente Maassluis een raadsvoorstel voor om de percelen rond de synagoge aan te kopen. Uiteindelijk koopt zij het synagogecomplex in 1949 van de joodse gemeente Rotterdam, die als erfgenaam van de voormalige joodse gemeente Maassluis fungeert. Het complex wordt in 1960 gesloopt. Op de plek waar het synagogecomplex heeft gestaan, wordt een parkeerplaats aangelegd en een transformatorhuisje gebouwd en zo is het tot op heden gebleven.
Op de joodse begraafplaats is in 1937 voor het laatst iemand ter aarde besteld. De begraafplaats wordt in 1948 door de gemeente Maassluis van de joodse gemeente Rotterdam gekocht en wordt in 1950 geruimd. De stoffelijke resten begraaft men op de Algemene Gemeentelijke Begraafplaats en tot slot worden ook de drieëntwintig grafstenen daarheen gebracht.