

Collectie Historische Vereniging Maassluis
De joods begraafplaats bevond zich aan de Roggekade te Maassluis Er is in 1937 voor het laatst iemand ter aarde besteld. De begraafplaats wordt in 1948 door de gemeente Maassluis van de joodse gemeente Rotterdam gekocht en wordt in 1950 geruimd. De stoffelijke resten begraaft men op de Algemene Gemeentelijke Begraafplaats en tot slot worden ook de drieëntwintig grafstenen daarheen gebracht.

Maquette van de joodse grafzerken op de Algemene Gemeentelijke Begraafplaats te Maassluis.
De grafstenen zijn zeer traditioneel en bevatten slechts enkele malen bijzondere gegevens over het leven of het beroep van de begravenen. Wanneer het de algemeen gangbare afkortingen van traditionele zegenspreuken betreft of andere bijbelse of talmoedische teksten, soms verwerkt in naamdichten, waarvan de eerste letter van iedere versregel de Hebreeuwse voornaam van de overledene vermeldt, maar waarvan de inhoud geen verdere gegevens over de overledene bevat, zijn deze niet in de vertaling opgenomen. De geïnteresseerden kunnen deze teksten zelf van de afgebeelde grafstenen aflezen. In enkele gevallen is het duidelijk dat de steenhouwer zijn voorbeeld niet goed heeft gelezen en de Hebreeuwse letters, die veel op elkaar lijken, door elkaar heeft gehaald, zoals de Hebreeuwse letter samech (s) en de sluitvorm van de letter mem (m).
In een enkel geval correspondeert de omrekening van de joodse datum niet met die van de niet-joodse. In dat geval is in de vertaling de correcte omrekening opgenomen. Wanneer op de grafsteen apart is aangegeven, wanneer de overledene ten grave is gedragen betekent dit dat hij of zij op een tijdstip is overleden, dat het niet mogelijk maakte de overledene de dag volgende op het overlijden te begraven, zoals de joodse wet dit voorschrijft, bijvoorbeeld op een vrijdag of op een van de feestdagen.
De namen van de overledenen zijn weergegeven met de gangbare Nederlandse spelling van bijbelse namen en niet in transcriptie van het Hebreeuws. De Jiddische namen van enige vrouwen zijn weergegeven, zoals ze werden uitgesproken.
De voornamen van de mannen en vrouwen gaan altijd vergezeld van de voornamen van hun vaders, aangegeven door ben (Hebreeuws: zoon van) bat (Hebreeuws: dochter van). De twee handen met gespreide vingers op een grafsteen duiden op het behoren tot het geslacht der priesters, ook aangeduid door de naam Kohen (Hebreeuws: priester), een schenkkan met schotel duidt op het behoren tot de stam van de levieten, de priesterdienaren, ook aangeduid door de naam Levi(e), Halevi of Segal. De Hebreeuwse kalender volgt het maanjaar, waardoor er op gezette tijden een gehele maand (Adar II) wordt ingevoegd, om de jaargetijden weer goed te laten verlopen. Het nieuwe joodse jaar begint met het nieuwjaarsfeest op 1 Tisjri, dat meestal in de maand september valt. De jaarrekening wordt geteld vanaf de schepping der aarde volgens berekening van de rabbijnen.
De omrekening van joodse data naar onze tijdrekening is gedaan met behulp van de tabellen in het boek van Eduard Mahler, Handbuch der jüdischen Chronologie, Hildesheim 1967.
klik hier voor een overzicht per graf
(van links naar rechts)